Er is veel onrust over pensioenen. Er zijn mensen die het vertrouwen hebben verloren dat de ze AOW of pensioen krijgen. Ook denken sommige mensen dat ze beter zelf geld hadden kunnen sparen, en dat het verplichte pensioen weinig goeds heeft opgeleverd. Dat is niet waar.
Het Nederlandse pensioenstelsel was en is een van de beste stelsels ter wereld. We moeten alleen met meer zaken rekening houden. Zo is de levensverwachting veel sneller gestegen dan iedereen verwacht had. En heeft de crisis veel invloed op het vermogen van de pensioenfondsen.
Levensverwachting
De levensverwachting stijgt. Volgens de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek leefden mensen in de jaren vijftig, toen de AOW en het pensioenstelsel ontstonden, na hun 65ste gemiddeld nog 14,6 jaar In 2010 was dat vijf jaar langer, namelijk 19,5 jaar. De verwachting is dat in 2050 mensen na hun 65ste gemiddeld nog 23 jaar leven. Gemiddeld moeten de pensioenfondsen per persoon dus langer geld uitkeren, terwijl daar niet voor gespaard is.
Gelukkig is het pensioenstelsel een solidair systeem. Er is dus ruim voldoende geld om de huidige gepensioneerden tot het einde van hun leven een pensioen uit te betalen.
Babyboom
De pensioenfondsen bestaan inmiddels zo’n 60 jaar. Op dit moment gaan de mensen met pensioen die ook echt hun hele werkende leven pensioen opgebouwd hebben. Omdat dit een grote groep is (de babyboomers), maakt dit de fondsen kwetsbaar. De fondsen die nu of in de komende jaren veel gepensioneerden hebben, ten opzichte van het aantal werkenden, moeten nòg voorzichtiger beleggen. Dat komt omdat er voor gepensioneerden heel weinig tijd is om eventuele verliezen goed te maken met beleggingswinst.
Kredietcrisis, Eurocrisis en rente
Door de kredietcrisis zijn de pensioenvermogens opnieuw flink gedaald. Een deel van de inleg van werknemers wordt namelijk belegd. Ook zijn de verwachtingen niet meer zo goed als vòòr de crisis. De economie heeft langer nodig om te herstellen. Zo hebben we veel last van de economische situatie in Zuid-Europa en de gevolgen daarvan voor de euro. Ook hierdoor kunnen pensioenfondsen moeilijk herstellen.
Omdat het niet goed gaat met de economie is de rente heel laag. En met die rente kunnen pensioenfondsen (en andere beleggers) voorspellen wat hun beleggingen zullen opbrengen. De rente wordt ook gebruikt om de verplichtingen van het pensioenfonds (de dekkingsgraad) te berekenen. Hogere rentes betekent dat de dekkingsgraad ook hoger is.
Het zou beter zijn als de rentestand hoger zou zijn. Een simpel sommetje maakt dat duidelijk:
|
Over 20 jaar wilt u €100 euro hebben. De rente is nu 2,6% Dan hebt u nu €61 nodig om over 20 jaar €100 euro te hebben. Als de rente hoger is, heeft u nu minder nodig: Als de rente 4% is, dan heeft u nu maar €47,50 nodig, om over 20 jaar €100 te hebben. |
Mogelijke maatregelen
Deze ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat de pensioenen niet kunnen meegroeien met de inflatie. Dat wordt namelijk gedaan uit de ‘winst’ die de fondsen halen uit hun beleggingen, en die winst was er de afgelopen jaren niet. Meegroeien met inflatie noemen pensioenfondsen ‘indexeren’.
Daarbij is een nieuwe discussie gekomen: moeten de pensioenfondsen ‘korten op hun verplichtingen’? Dat wil zeggen: het beloofde bedrag dat werknemers op hun 65ste zouden krijgen verlagen, zodat het pensioenfonds weer aan zijn verplichtingen (dekkingsgraad) kan voldoen. De pensioenfondsen zullen dat pas in het voorjaar van 2013 definitief beslissen. Nu al wordt gekeken of er pensioenfondsen zijn waarvan het waarschijnlijk is dat zij zullen moeten korten. Daarover wordt meer duidelijk in februari 2012. Maar ook dan zijn het nog altijd voorlopige maatregelen. Eind maart 2013 kondigen de pensioenfondsen hun definitieve maatregelen aan.
Voor de iets langere termijn hebben werkgevers, werknemers en kabinet al maatregelen getroffen. Om te zorgen dat pensioenen èn betaalbaar blijven, èn voldoende kunnen uitkeren op de pensioengerechtigde leeftijd van werknemers is een pensioenakkoord gesloten. Ook aan de cao-tafels en in de besturen van de pensioenfondsen (waarin de vakbonden en werkgevers vertegenwoordigd zijn) gaat men aan de slag met de uitwerking van dit akkoord.